Naar de tekst
Math Reintjens

Leesfragment · Verbonden en verscheurd

Proloog: De hand op de wand

Zo begint het boek: de hele proloog. Onderaan kunt u de letters groter of kleiner maken, of een lichte pagina kiezen.

Diep in een grot, ver voorbij het punt waar het daglicht ophoudt, staat een hand op de wand.

Het is geen tekening. Iemand heeft een hand plat tegen de rots gelegd en er kleurstof omheen geblazen, waarschijnlijk door een hol bot of een rietje. Toen de hand werd weggehaald, bleef er een lichte vorm over in een donkere wolk. Daarna verdween de maker in het donker. Zulke handen zijn gevonden in Frankrijk, in Spanje, in Argentinië en op Sulawesi, en de oudste zijn tienduizenden jaren oud. Mensen die elkaar onmogelijk kunnen hebben gekend, op werelddelen die niets van elkaar wisten, besloten allemaal hetzelfde: ze lieten hun hand achter op een rots.

Wie er nu voor staat, doet bijna altijd hetzelfde: hij houdt zijn eigen hand ernaast.

En dan blijkt waar dit boek over gaat. De hand past. Hij heeft dezelfde vorm: de duim staat waar uw duim staat, en de vingers zijn de vingers van iemand die u zou kunnen groeten. Sommige handen zijn klein. Daar heeft een kind gestaan, met een volwassene die hielp, want zoiets blaast een kind niet alleen.

Lang is aangenomen dat het mannen waren, jagers. Maar een Amerikaanse archeoloog mat de vingers van tweeëndertig handen in grotten in Frankrijk en Spanje, en schatte dat drie op de vier van vrouwen waren. Niet iedereen is het met hem eens. Zeker is wel dat mannen, vrouwen en kinderen er hebben gestaan.

De wereld van die mensen kunnen we ons nauwelijks voorstellen. Het enige licht dat ze zelf konden maken, was vuur. In hun hele leven kenden ze misschien een paar honderd mensen. Een bericht reisde zo snel als iemand kon lopen, en de helft van hun kinderen werd niet volwassen. Als ze vandaag zouden opstaan, zou bijna alles wat wij dagelijks doen hun voorkomen als tovenarij: een stem uit een plat voorwerp, licht dat aangaat bij een aanraking, een wagen zonder paard die over een harde weg raast.

Maar hun angsten kennen wij. Ze waren bang om er niet bij te horen, want buiten de groep overleefde niemand. Ze waren bang dat ze de mensen om hen heen niet zouden kunnen voeden. Ze waren bang dat ze een kind zouden verliezen, en ze wisten niet wat de volgende winter zou brengen. Dat zijn geen prehistorische gevoelens. Dat zijn de gevoelens waarmee in dit land vanavond mensen wakker liggen, in een huis met verwarming en een volle koelkast.

En hun kracht kennen wij ook. Ze maakten dingen met hun handen. Ze vertelden verhalen; die handen op de wand zijn er zelf een. En ze zorgden voor mensen die niet voor zichzelf konden zorgen. Dat weten we zeker, want er zijn skeletten gevonden van mensen die jarenlang leefden met verwondingen waardoor ze volledig van anderen afhankelijk waren. Iemand heeft hen al die jaren gevoed. Dat is het oudste bewijs van beschaving dat we hebben: ouder dan het wiel, ouder dan de landbouw, ouder dan het schrift.

Het hele boek past in één zin:

De wereld is onherkenbaar geworden. De mensen erin zijn dezelfde gebleven, met dezelfde angsten en met dezelfde kracht.

De eerste helft van die zin verklaart waarom het misgaat. In ongeveer tweehonderd jaar hebben we een omgeving gebouwd die niets meer gemeen heeft met de omgeving waarvoor we gemaakt zijn. En dat ging zo snel dat geen enkele generatie de tijd kreeg om er gewoonten omheen te laten groeien. We zijn een oeroud brein in een gloednieuwe wereld. Veel van wat we vermoeidheid, onrust, eenzaamheid of prestatiedruk noemen, is niets anders dan dat.

De tweede helft verklaart waarom het goed kan komen, en daarom is dit geen somber boek geworden. Dezelfde soort die zich door het donker van een grot wurmde om een hand achter te laten, heeft de pest overleefd, de kinderarbeid teruggedrongen, de pokken uitgeroeid en het gat in de ozonlaag weer laten krimpen. We zijn sinds die grot niet slimmer geworden. Maar we zijn wel steeds opnieuw in staat gebleken om af te spreken dat iets niet langer kan.

Dit boek gaat over de ruimte tussen die twee feiten.

Het heet Verbonden en verscheurd, en dat is geen woordspeling. We zijn werkelijk verbonden, meer dan enige generatie vóór ons: met mensen aan de andere kant van de wereld, met alle opgeslagen kennis van onze soort, met elk bericht en elk beeld, op elk moment van de dag. En tegelijk zijn we verscheurd, op twee manieren. In onszelf, doordat onze aandacht, onze tijd en onze rust in stukken zijn gevallen. En van elkaar, doordat dezelfde techniek voor de één een sleutel is en voor de ander een ketting.

Die tweede scheur loopt niet netjes tussen rijke en arme landen. Ze loopt door één stad, door één straat en soms door één huis. Hetzelfde toestel dat een jongen in een dorp zonder muziekschool leert pianospelen, houdt een ander kind tot half twee ’s nachts wakker. Hetzelfde netwerk dat een oude vrouw haar kleinkinderen in Australië laat zien, sluit haar buiten bij haar eigen gemeente. Dat komt niet door goede of slechte bedoelingen. Niemand heeft dit ooit besloten.

Hoe zoiets ontstaat zonder dat iemand het wil, ziet u het best aan een beroep dat bijna niemand meer kent.

Tot ver in de twintigste eeuw liep er in de fabriekssteden van Engeland en Ierland op elke werkdag, vroeg in de ochtend, iemand met een lange stok door de straten. Daarmee tikte hij tegen de slaapkamerramen op de eerste verdieping, net zo lang tot er iets bewoog. Sommigen gebruikten een blaaspijpje met gedroogde erwten; dat was trefzekerder en minder vermoeiend. De bewoners betaalden hem zelf, een paar stuivers per week. Hij had een lijst met adressen en tijden, want de ene fabriek begon eerder dan de andere.

Waarom bestond dat beroep? Omdat de fabriek iedereen op hetzelfde moment nodig had, en omdat bijna niemand een klok had. Het eerste wat de machine van de mens vroeg, was dus niet arbeid; die werd al eeuwen gevraagd. Het eerste wat ze vroeg, was stiptheid. En omdat de samenleving die stiptheid niet kon leveren, bedacht ze er een mens voor.

Een uitvinding doet nooit alleen het werk waarvoor ze is gemaakt. Ze verbouwt het leven eromheen, en die verbouwing is altijd groter dan de uitvinding zelf. De stoommachine bracht niet alleen kracht. Ze bracht de ploegendienst, de gelijkgezette klok, de scheiding tussen werk en thuis, de trek naar de stad, en ten slotte een man met een stok die mensen uit bed kwam tikken. Toen de goedkope wekker kwam, verdween dat beroep zonder dat iemand het besloot. En niemand heeft ooit opgeschreven wat er verloren ging met het gezicht dat elke ochtend aan het raam verscheen.

Sinds het begin van de industrie is dat drie keer gebeurd, en elke keer sneller. De eerste golf nam onze spierkracht over: stoom, elektriciteit, de verbrandingsmotor. De tweede nam de afstand over, en met de afstand het geheugen: de telegraaf, de telefoon, de computer, het netwerk. De derde is net begonnen, en ze reikt naar iets waar de vorige twee niet aan kwamen: het afwegen, het formuleren en het concluderen. Naar wat we denken noemen. Dit boek gaat vooral over wat de eerste twee golven met ons hebben gedaan, om te begrijpen wat de derde zal doen.

Over elke golf is één vraag gesteld die nooit goed is beantwoord: wie wint hierbij, en wie betaalt ervoor? De eersten die die vraag stelden, Engelse wevers die rond 1811 de nieuwe machines kapotsloegen, zijn er slecht van afgekomen. We komen ze later in dit boek nog tegen. Dit boek stelt de vraag opnieuw, maar dan zonder hamer.

Twee dingen zult u in dit boek niet vinden.

Het eerste is heimwee. Er staat op geen enkele bladzijde dat het vroeger beter was dan nu. Vroeger stierven kinderen aan ziekten die we nu in een week genezen. Mensen werkten tot ze op hun veertigste versleten waren. En wie anders was of anders liefhad, werd door zijn eigen dorp het leven onmogelijk gemaakt. Wie dat vergeet, kan niet eerlijk praten over wat er verloren is gegaan.

Het tweede is ondergang. Er is genoeg mis, en dit boek verzacht daar niets van. Maar een verhaal dat eindigt met de vaststelling dat het te laat is, is geen analyse. Het is een vorm van luiheid, en bovendien klopt het niet.

Wat er wel in staat, is een poging tot boekhouden. Van wat we de afgelopen eeuw hebben gewonnen, weten we precies hoe groot het was. Van wat er daarbij is weggevallen, bestaat geen grootboek, want het had geen prijs. Dit boek probeert die tweede kolom in te vullen. Onderweg neemt het één vraag mee, die pas aan het eind een antwoord krijgt: welke vooruitgang haalt werkelijk iets weg dat pijn doet, en welke verplaatst alleen de lat?

Daarvoor moeten we ver terugkijken, veel verder dan het scherm. Het scherm dat we de hele dag bij ons dragen, is nog geen twintig jaar oud en heeft dus nog nauwelijks een geschiedenis. De mens wel. We reizen terug langs de nacht, de buurt, de honger, de uitsluiting en de kudde, want daarvan heeft onze soort een lange geschiedenis.

Waar daarbij “we” staat, gaat het meestal over mensen zoals u: in een welvarend land, met stroom, schoon water, een dak en eerder te veel dan te weinig. Over de rest van de wereld gaat het ook, en vaak; dan staat dat erbij. En waar het over de mens in het algemeen gaat en er “hij” staat, volgt dat de grammatica van het woord mens. Vrouwen en kinderen horen er net zo goed bij.

Onderweg komen we steeds dezelfde mensen tegen. Ze zijn bang voor precies dezelfde dingen als u. En ze hebben, diep in een grot en met een kind naast zich, hun hand tegen een wand gelegd en er kleurstof omheen geblazen. Om iemand die ze nooit zouden ontmoeten te laten weten dat ze er waren.

Hoe gaat het verder?

Lees verder in het e-book

Verbonden en verscheurd is nu te koop als e-book. De paperback volgt in november.

Bestel het e-book Meer over het boek